Intermezzo's II

Wedergeboorte

De duisternis voelt dik en zwaar, als een cape van natte schapenwol. De rug van Errus Norn plakt van het zweet. Zijn haren plakken tegen zijn harde gezicht. Met beide brede, gespierde armen gebaard de magiër voor zich uit, tastend in het wier van donker niets. Zijn tong voelt droog en dik, alsof hij te veel heeft gedronken, en de wereld lijkt licht te draaien bij iedere zware stap. De benen van Errus voelen zwaar, alsof hij door water struint. Iedere keer als hij denkt nooit een einde van de tunnel te zullen zien verschijnt een klein groen plaaglichtje in de verte, maar iedere keer als hij naar het lichtje toe loopt verdwijnt het in de mist. Is dit een vloek? Een straf? Het doden rijk? Errus probeert keer op keer zijn gedachten te ordenen, terug te gaan naar zijn laatste herinnering aan daglicht, maar de gedachten glippen als olie tussen zijn vingers. Hij balt zijn vuisten tevergeefs om de gedachten vast te houden, alsof hij zo weer grip zou kunnen krijgen op de werkelijkheid. Hij schreeuwt, maar zijn machtige stem wordt verslonden door de repen van duisternis die hem toedekken als een gillend kind.

“Liever dood dan zo!” brult Norn terwijl zijn gespierde armen om zich heen maaien. De duisternis druipt in de mouwen van zijn uniform, in de gaten van zijn neus, in zijn oren, in zijn ogen. Eeuwigheden gaan voorbij terwijl hij dieper en dieper in een zwart meer zakt, dat hem op zuigt als een nachtmerrie.

Dan doet het geluid van zijn eigen raspende ademhaling zijn hart een slag over slaan. De woorden uit zijn mond zijn niet zijn eigen woorden, niet zijn stem.

“Leef ik?”

Errus Norn vindt zichzelf geknield in een stenen kamer die slechts wordt verlicht door een enkele lantaarn die boven de poel in het midden van de ruimte hangt. In de reflectie in het zwarte water ziet hij een vorm die anders is dan hij ooit was. Een jongere, nog bredere man met lange, zilveren haren. Zijn gezicht is slanker, zijn ogen nobeler, zijn neus kleiner, zijn pupillen als ijs. Errus valt naar achteren van schrik als zijn eigen mond zijn vraag beantwoord.

“Je leeft, zolang je nuttig voor me bent. Je hebt gefaald Errus. Je hebt een groep stervelingen van je laten winnen.”

Hij haalt diep adem, gretig. De koude lucht in de kamer vult zijn longen met het aangename gevoel van vrijheid. Dan stokt zijn adem, een fractie van een seconde vreest Errus te stikken in dat moment, dat kleine oponthoud. Zijn lippen krullen en hij lacht bulderend. Zo plots als de lach begon eindigt deze en sterft de galm tegen de grauwe stenen.

“Meester? Bent U hier?”

“Omdat jij hebt gefaald is het ritueel mislukt, maar niet alles was tevergeefs. Ik heb een deel van mijzelf via de poort naar Eberron gebracht, dat deel van mij zit nu in jou. Probeer me niet nog eens te dwars bomen Errus. Het direct dienen van een God is een eer die slechts weinigen toe komt. Mijn krachten delen is een gift die ik nooit eerder heb geschonken aan een dienaar zo laag als jijzelf. Ik kan iedere dag van je leven een lijdensweg maken, of ik kan je sleutel zijn naar absolute macht. Aan jou de keuze Errus.”

De stalen kniebeschermers van Norn schrapen over de stenen terwijl hij overeind komt. Zijn verjongde spieren en botten voelen soepeler dan ooit, alsof hij op staat na een uren lange massage.

“Nu we dit hebben afgehandeld kan de volgende fase beginnen.”

Norn explodeert in een helder groen vuur, de muren van de stenen ruimte trillen en vallen uiteen als blokken. Hij spuit als een vuurpijl door het massieve steen omhoog de nacht in. Boven de instortende burcht komt hij plots tot stilstand. De nachtwind fluistert geheimen in zijn oren, als de liefkozende stem van een geliefde. De wereld kent geen geheimen meer voor hem. Zijn haar streelt zijn brede schouders, de manen weerspiegelen in ogen. “Ik denk dat ik hier wel aan gewend zou kunnen raken…” fluisteren twee stemmen uit één mond.

Intermezzo's II

Wedergeboorte Gentlemanic