Intermezzo's

De Ontsnapping

Het leven van de halfling is perfect op alle fronten. Gelukkig getrouwd, een kind op weg naar de buitenwereld. Toch ligt hij ’s avonds wakker van nachtmerries en gruwelijke beelden die door zijn hoofd heen flitsen. Die avond zit hij weer eens naast zijn bed, piekerend.

“Wat is er toch schat?” vraagt zijn vrouw hem bezorgd. Hij kijkt haar aan, duidelijk gestrest en met grote wallen onder zijn ogen.

“Het zijn mijn vrienden Lisa. Deze mensen hebben mijn leven gered en ik zit hier van een op en top leventje te genieten terwijl zij vechten tegen het kwaad. Wat als ze falen?”

De angst is af te lezen van het ruwe gezicht van de kleine halfling. Doch, met de geruststellende woorden van zijn vrouw, weet hij die avond toch nog slaap te vinden.

De volgende ochtend is het Jack duidelijk. Hij moet iets ondernemen, hij kan niet niksen terwijl zijn vrienden in gevaar zijn.

“Nee je kunt niet mee! Weet je hoe gevaarlijk dat is?!” schreeuwt de halfling uit in paniek als Meeuw besluit mee te gaan. Kalm antwoord gevent zegt ze terug: “Ik laat je niet weer weggaan in je eentje Jack, nimmer weer.”

Tegenstribbelend geeft Jack uiteindelijk toe en maken ze de grote dure reis naar Zilargo. Gefinancierd door ‘The Trust’ zijn ze binnen de kortste keren met de trein weer in Trolanport.

De grote kamers van de triumvir van Trolanport zijn verbazingwekkend. Een gnome wiens gezicht bedekt met een kleurrijk versiert masker, zittend op een troon gemaakt van wat leek marmer, begroet de twee halflings.

“Het schijnt dat jullie vrienden en mijn rechterhand in een benarde situatie terecht zijn gekomen. Mijn informant en diplomaat heeft nu al een tijd geen bericht meer gestuurd van de situatie. Zijn laatste bericht is ook niet echt goed nieuws te noemen” waarna hij een dramatische pauze liet vallen.

“Vind jullie vrienden en Vince, zorg ervoor dat ze ongedeerd wegkomen en stop deze gek!” hij sloeg met zijn vuist op de rand van zijn stoelleuning. De man, ondanks een gnome, lijkt niets anders te verwachten dan gehoorzaamheid. “Ik geef jullie een aantal van mijn beste mannen. Een luchtschip met bemanning leen ik aan jullie. Kosten wat het kost moet deze onzin afgelopen zijn. Keer niet terug voordat je het hoofd van deze Errus Norn van zijn romp hebt geslagen, begrepen?”

Met de snelheid van het licht vliegt het schip door de lucht. Er is geen garantie dat hij zijn vrienden ooit nog zou zien, hopelijk zijn ze niet te laat. Tijdens het opstijgen krijgen ze informatie doorgespeeld over een onbekend luchtschip dat net over de grens van Zilargo heen vliegt. “We pakken je Errus,we krijgen je wel.” mompelt Jack in zichzelf.

Jack probeert zo stoer mogelijk te klinken als ze eindelijk het schip van Errus te pakken hebben. Zijn vrienden zitten geketend aan de mast, uitgehongerd en mentaal gebroken. “Je dacht toch niet dat ik jullie in de steek zou laten? Grijp hem!” schreeuwt hij over het dek. Een hard gebrul van de gnomes is te horen als ze het schip enteren. Goed getrainde gnomes stoppen elke magische aanval die de ex-generaal naar hun toe werpt wanneer Jack met een touw naar de overkant slingert. In de chaos van het gevecht snijdt hij vakkundig de touwen los waarmee ze vastzitten aan de mast. De handboeien zijn te lastig om in een keer kapot te slaan. Een plank werd tussen de twee schepen ingeschoven terwijl enterhaken en touwen de twee schepen tegen elkaar aangedrukt houden. “Snel, lopen vrienden!” schreeuwt hij naar ze terwijl hij zich omdraait om een klap af te weren.

Jack ziet in zijn ooghoek dat de gnomes langzaam maar zeker aan het verliezen zijn. De magie van Errus was te sterk om nog langer in bedwang te houden. “Terugtrekken!” schreeuwt hij over het dek terwijl hij over de plank terug spurtte.

Het schip van Errus was niet meer te zien. Dol gelukkig begroet hij zijn vrienden, de kleine onnozele goblin, de berekende human en zelf de knorrige dwerg krijgen een dikke knuffel. Zijn vrienden vertellen hem van een gevaarlijke Aboleth die samenwerkt met Errus. Alle gebeurtenissen, de dood van Vince, een belangrijke ring, een duegar duikboten firma tot een changeling mantaray komen aan bod.

“Dus eigenlijk vertellen jullie mij het volgende: wij moeten Errus Norn stoppen voordat hij datgene doet bij een of andere berg wat we niet willen wat hij doet?” vraagt de halfling onwetend. “Het heeft te maken met een ritueel wat in dit boek geschreven staat” vertelt de wijze dwerg hem. Jack kijkt naar het boek met een ongeïnteresseerde blik in zijn ogen. “Het zal wel, het enige wat ik weet is dat we die gluiperige verrader moeten stoppen”

De Muur

Het schrapende geluid is zo zacht dat het aan de andere kant van de deur niet te horen is. Iago Zwartvoet, een grijze, gebroken halfling, ligt in een hoek van de schemerige cel. Met een spijker krast hij in de muur. Zijn handen zijn kapot geslagen, zijn voeten verbrand. Zijn martelaren waren wreed en genadeloos. Ze stelden niet eens vragen, ze wilden hem alleen pijn doen. Hem straffen voor de overwinning van zijn team. Zijn vrienden.

Hij hoopt zo dat ze hem komen halen. Dat ze hem vinden voor het te laat is. Op een dag zal hij zijn vrouw en dochtertje weer willen zien. Maar hij hoopt dat dit nog niet zijn tijd is. In het schemer kan hij nauwelijks lezen wat hij schrijft, maar hij probeert de woorden zo goed op te schrijven als zijn handen hem toe staan. Hij moet ze achter laten, als waarschuwing, als teken.

Iago Zwartvoet werd hier gemarteld door de schurk Errus Norn, ex-generaal van Aundair. Zijn magie is sterk en zijn ziel zwart. Als ik hier dood wordt aangetroffen, of iemand deze woorden hier vindt, breng dan woord naar de Valken in Sharn. Zeg dat ik ze nooit heb verraden. Zeg dat ik altijd in ze heb vertrouwd. Zeg dat ze betere vrienden waren dan een oude halfling kon wensen.

Hij zucht en hoopt dat hij ze deze dingen zelf zal kunnen vertellen. Een stoot koude lucht komt door het kleine raampje naar binnen en Iago rilt. Dan kruipt hij weer in een hoekje en trekt zijn voddige dekentje over zich heen.

Plannen

Koranberg, Zilargo, 10 Maart 1009 YK

De oude gnome met de grijze snor loopt peizend door zijn kantoor. Iago’s Valken zitten op beklede stoelen met koppen warme thee op schoot te luisteren naar de generaal en hem waar nodig verder te informeren.

“Dus jullie beweren dat deze Norn een cultus van de helledraak volgt die de wereld in oorlog wil storten met onderzeeboten?”

Jerry schudt wild zijn hoofd op en neer, zijn ogen wijd van erkenning en zijn wangen bol van thee.

Sengis haalt een wenkbrauw op naar zijn ongemanierde kompaan. “Voor zover wij weten wel meneer. En omdat hij steeds over grenzen gaat is geen enkele natie op tijd om hem tegen te houden.. Met de dreiging oorlog erbij.”

De gnome zucht. “Jullie bewijzen zijn duidelijk, ons onderzoeksteam heeft bevestigd dat het wrak van een onderzeeboot is. Maar een man die kan reizen door ruimte en ijsstormen kan oproepen met een enkel gebaar is een te gevaarlijke tegenstander voor particulieren.. Zelfs avonturiers. En dan weten jullie niet eens of hij geen superieuren heeft binnen de organisatie.”

Jack slaat zijn vuisten op tafel. “We zijn allemaal wel eens bang voor het kwaad en voor magie, maar dit is een tijd waarin we die angsten moeten vergeten en samen moeten vechten.. Voordat Norn ons ertoe drijft om allemaal te.. Naja, vechten.”

De gnome kijkt hem streng aan en de halfling zakt terug in zijn stoel. Hij verstopt zijn rode wangen achter zijn masker en mompelt een excuus.

“Ik waardeer wat jullie proberen te doen voor ons, Iago’s Valken. Maar ik kan jullie niet zomaar toestemming geven om achter die tovenaar aan te gaan. Hij kan ondertussen overal zijn.”

Jerry kijkt naar Evariste, die beleefd nipt aan zijn drankje. “HIJ kan hem vinden, hij heeft er speciale magie voor. Ik heb het hem eerder zien doen. Plus, die schurk heeft onze vriend Iago ontvoerd!”

Evariste zet zijn kopje neer. “Ik kan alleen objecten traceren. Personen liggen buiten het bereik van mijn magie Jerry. Misschien kan mijn huis ons helpen?”

De oude gnome gaat aan zijn bureau zitten. “Luister, ik weet zeker dat jullie er wel uit komen. Ik zal bericht sturen naar de Drie, de heersers van ons land. Als zij toestemming verlenen dan zijn we bereid om jullie te helpen.”

Gustav staat puffend op. “Kwestie van formaliteit dus. Als jullie mij dan vast excuseren, nu de boot van de Heer Norn niet meer is heb ik een vermoeden dat hij ergens staat geregistreerd als reiziger op een trein of boot. Het moet niet moeilijk zijn om te ontdekken waar hij heen gaat als we snel zijn.” Bolain knikt naar de gnome en volgt de oude dwerg in stilte.

De oude gnome met de snor lacht stiekem in zijn knuistje. “Dat kan denk ik geen kwaad… Hoe meer we weten, hoe beter.”

Het gesprek vervolgt zich in de bibliotheek van Koranberg, waar de groep met behulp van een bejaarde bibliothecaresse probeert uit te vinden waar het donkerste meer kan zijn, voordat het te laat is…

Ondertussen, op een andere plek in Koranberg

Errus brult met de woede van een vulkaan. Dit had niet mogen mis gaan, dit had niet kunnen mis gaan. De gnome had zich laten ompraten en was er met een stomme truc ingeluisd. Alles ging nu fout. Een nieuwe boot bouwen zou honderd duizenden goudstukken kosten, iets ver buiten zijn budget. Erger nog, die schoften hebben hun plan onthuld! Als de naties er achter komen dat er een stoker in hun midden is dan is hun plan gedoemd te falen. Hij slaat de Emerald Claw bewaker neer met een vlezige vuist. De man krabbelt overeind en stapt terug.

Zijn vriend kijkt angstig naar de magiër. De dwerg spreekt niet en kijkt alleen naar de grond.
Errus gromt. “Dit is allemaal te ver gegaan. Aumm Ssi’Lehe accepteert geen zwakkelingen en geen verlies. We kunnen dit alleen goed maken door voor eens en altijd af te rekenen met Iago zijn vriendjes.” Hij wrijft over zijn geschoren schedel. “Genees me artificer!”

“Niet alles is verloren… Als we terug gaan naar de thuis basis en zorgen dat zij ons daar niet vinden dan is alles te redden.” Errus ijsbeert door een open plek van het park terwijl de dwerg achter hem aan loopt en de wand langs zijn gewonde been beweegt. Hij stopt plots en grijnst. “Trek de strijdtunieken uit mannen. Ik heb nog een oude vriend die ons wel een handje kan helpen…” Hij lacht kwaadaardig.

Discussie

Evariste kan sinds kort een CL 7 locate creature casten. Dus als die binnen 780 ft. (237 m) is kunnen we hem vinden.

De Poel

De Lantaarn toren, de Zuidelijke Schaduw Moerassen, ergens in de zomer van 1007 YK.

“We moeten echt gaan, Aranna.” Herhaald de machtige half orc. Zweet parelt op zijn voorhoofd. “Leg je er bij neer, we komen nergens achter hier. Laten we gewoon gaan. Geen schat is dit waard.” De slanke, langharige elfin zucht. “Kennis is macht en macht is alles waard, Nurr. Gaan jullie maar, ik geef niet op tot ik binnen ben.” De halfling, en kale man die al op de boot staan kijken elkaar aan. “Aranna.. Er komen nieuwe kansen. Laten we gaan…” probeert de halfling. Maar hij weet dat het geen zin heeft. De elfin wuift haar vrienden weg. “Als jullie me zouden vertrouwen zouden jullie blijven.” Bijt ze haar vrienden toe. De boot verdwijnt in de mist en Aranna blijft achter met hun gehuurde bewakers.

Waanzin. Pure waanzin. De woorden op de stenen deur hebben geen enkele verbinding behalve waanzin. Ze lijken niets met elkaar te maken te hebben. Aranna veegt de lokken nat haar uit haar gezicht en zucht. Als het niet zo vochtig en warm bij dit vervloekte meer was dan kon ze tenminste nadenken. De drie grote orc bewakers slapen tegen een kleine heuvel naast de toren. “Stomme orcs.. Kunnen ook niks goed doen. Ze zijn nauwelijks meer dan primaten.” Fluistert ze in haar moeder taal terwijl ze opnieuw een boekje vol oude runen open slaat. Dan schuift de deur zomaar open. Zonder enige reden onthuld zich een weg de krochten van dit oude gebouw in. Aranna kijkt verbaasd naar de deur, dan naar haar wachters. Ze zucht, grijpt haar zwaard en stapt de schaduwen in.

Als haar voeten de eerste treden van de trap omhoog raken fluistert een stem in haar hoofd. Gedachtes beginnen te galmen als echo’s door een grot. Het gaat zo geleidelijk, zo natuurlijk, dat de vrouwelijke elf niet eens merkt dat het niet meer haar eigen gedachten zijn. Verraders… Ze lieten je alleen. Alleen. Alleen. Je kan alleen op jezelf rekenen. Dwazen. Zwakke dwazen. Pionnen. Poppen aan jouw touwtjes. Alle macht is voor jou. Alles mag je houden. Niets hoef je te delen. Zwakke verraders. Slaven. Mindere wezens. Vertrouw ze niet.

Dan komt Aranna boven aan de trap en galmen haar voetstappen door de verlaten koepel. Licht valt binnen door de grote ramen. Stap voor stap nadert ze de poel en dan kijkt ze over de stenen randen. Waanzin. Pure waanzin.

Bijna een uur later wandelt ze uit de toren, haar zwaard besmeurd met bloed. De orcs staan al te wachten voor de ingang en kijken angstig naar haar. Ze lacht. “Haal hout en mijn touw. We moeten iemand straffen. Breng kruiken. Ik heb een idee…”

Ze had macht gevonden. Er was maar één manier om de hele stad te straffen. Xoriat had haar geest gevuld met beelden van de toekomst. Beelden van kruipende goblins in Malleon’s Poort.. Haar slaven. Slaven van de Helledraak. De dienaren van Xoriat zouden haar zijde kiezen als ze genoeg zou offeren. Tanden en bloed, de heilige betaalmiddelen. Haar zogenaamde vrienden hadden zich ernstig verkeken op haar krachten. Ze zou niet sterven in de jungle, ze zou terug keren om hen te straffen. Ze zou heel Sharn straffen. In naam van Khyber. In naam van de Helledraak. Er was slechts ruimte voor één meester in deze wereld en zij zou zijn meesteres worden.

Oorlogsmisdaden

Lente 988 YK. Een weg langs de Cyre Rivier, West Talenta.

“Pap.. Zijn we er al?” Zeurt het piep kleine halfling meisje met de blonde vlechtjes tegen haar vader. De oude halfling zucht en kijkt boos over zijn schouder.“Voor de achtste keer Iza, we moeten nog de hele dag reizen. Als je niet stil bent mag je niet meer op Bonbon rijden en dan moet je lopen!” Het meisje schrikt en knuffelt de logge dinosaurus die puft in de lentezon. Het is duidelijk dat de Driehoorn het zwaar heeft onder het gewicht van manden vol potten, kleden en handgesneden beeldjes. “Mama! Papa plaagt me.” Zegt ze met een pruillip en kijkt naar de derde en laatste halfling in het gezelschap, een jonge vrouw met dezelfde blonde vlechten en een gif groen apen master. “Iza, doe wat papa zegt. En doe je masker weer op, straks verbrand je nog.” Zegt de vrouwelijke halfling. En ze pakt de hand van haar man weer vast. Het meisje trekt sniffend haar masker weer over haar gezicht. Het zijn twee vlindertjes die elkaar vast houden aan haar neus.

Een kudde graseters schuifelt voorbij de familie, gevolgd door twee jonge herders. “Goede reis!” roept een van de jongens “verkoop mijn moeders kleedjes niet voor te weinig!” De oude halfling lacht en trekt aan zijn pijp. De drie zwaaien de herders na en reizen verder langs de snel stromende, heldere rivier. Iedere lente wordt een gezin van de clan weg gestuurd om de waren te verkopen op de grote markt in Gatherhold. Het is de grootste eer en er wordt het jaar lang hard gewerkt om gekozen te worden. De sjamaan wordt verwend met lekkerheden, nieuwe kleding en andere cadeaus, maar uiteindelijk kan volgens de traditie maar één gezin winnen. Dit jaar hadden de taartjes van Iza’s moeder de sjamaan overtuigd en ze was apetrots.

De familie reist bijna een dag zonder tekenen van leven anders dan zalmen en grasetende dinosaurussen totdat een andere groep reizigers verschijnt aan de horizon. Als de delegatie dichter bij komt herkennen de halflings de vlag van Karrnath, een groen vaandel met gele randen, en stappen ze voorzichtig de weg af om de groep te laten passeren. Het is geen grote eenheid, slechts een grens patrouille. De oude halfling neemt zijn hoedje af voor de soldaten en het vrouwtje maakt een beleefd buiginkje. Het meisje kruipt achter een mand op de dino. Eén voor één passeren de ondode soldaten, met een skeletton koppen het gezin. Dan valt plots de mand van de rug van de dinosaurus met een pats op de grond. Aardewerken mokken spatten uiteen tussen de halflings en onmiddellijk reageren de soldaten door hun wapens te richten. Het meisje huilt hard en haar moeder loopt op haar toe om haar te troosten.

“Heren, heren,” begint de oude halfling snel, zijn handen omhoog houdend om te tonen dat hij ongewapend is “mijn excuses dat we U zo lieten schrikken, we bedoelden niets kwaad ziet U. Het was een ongelukje.” De skeletten bewegen niet. Ze blijven griezelig stil staan kijken naar de drie halflings en de suffende dino. Dan klinkt een grimmige, scherpe stem uit de massa van ondoden. “Ah! Een ‘ongelukje’ dus dan is alles goed wilt U zeggen, meneer halfling?” Een gier achtige man, met sluik blond haar baant zich een weg door de manschappen. Zijn gezicht zit vol kleine littekens en zijn bleke huid steekt af tegen zijn zwart leren vest. “U en de Uwe blokkeren de gang van zaken. Niet te spreken over de spullen die U daar bij zich draagt. Heeft U een vergunning voor het vervoeren van deze spullen, of bent U een smokkelaar?” De gier grijnst vals naar de halflings en houdt zijn hand op een toverstaf die onder zijn riem zit geschoven. “Meneer! Duizend excuses!” roept de oude halfling en hij zakt op één knie. “Vergeef ons, nederige halflings. Wij komen slechts de goederen van onze clan verkopen op de jaarmarkt in Gatherhold. Wij smokkelen niets, heer.” De Gier sneert en kijkt de halfling scherp aan. “Dan graag een document van bewijs halfling. Of je leven zal kort zijn..” De halfling kijkt naar zijn gezin, dan weer naar de man. Hij zucht. “We hebben geen bewijs meneer, maar ik neem de verantwoording op me. Laat mijn gezin alstublieft gaan.” Opnieuw sneert de Gier en dan breekt hij uit in een vals lachje. De patrouille was saai geweest, dagen zonder iets te doen. Dit was eindelijk zijn kans om zijn nieuwe toverstaf te gebruiken.

“In naam van Karrnath en haar waardige, eerzame heerser verklaar ik U schuldig aan smokkelen. De straf is de dood.” Razendsnel trekt hij de staf tevoorschijn en lacht. “Iago! Help!” roept de vrouw, en ze tilt haar dochter op om te vluchten. Met dezelfde snelheid schopt de oude halfling de man tegen zijn knie en een machtige donderstraal mist Iza en haar moeder op een haar maar roostert hun trouwe viervoeter. Gier gilt van woede en grijpt de oude halfling bij zijn keel. Met een vlug commando worden de drie halflings gegrepen en door de ondoden en naar de rivier gesleept. De Gier raapt zijn toverstaf op en klopt het zand er af. De drie halflings huilen en proberen los te komen, maar ondode klauwen laten hen niet gaan. “Dood de vrouw en het kind.” Gilt Gier terwijl hij zijn knie wrijft. De klauwen van de skeletten komen in beweging en scheuren in het vlees van de halflings tot hun geschreeuw staakt en de oude halfling nog de enige is die huilt en schreeuwt. Zijn ogen staan bol van woede en het schuim staat op zijn mond. “Hiervoor zal ik je krijgen smerige Karrn moordenaar!” brult de oude halfling. “Laat me los! Laat me los!”

De magere man met het dunne blonde haar lacht maniakaal. “Je hoort de halfling, soldaat! Laat ze maar los… Boven de rivier!” Met een klap komt Iago op het water terecht, dat voor seconden rood kleurt met het bloed van zijn geliefden. Wanhopig probeert hij ze vast te houden en te kijken of ze misschien nog leven. Maar al gauw wordt de kou van het smeltwater de oude man te veel en verliest hij zijn bewustzijn in de duisternis onder het wateroppervlak van de Cyre River.

De Vreemdste Overtocht

“Hehehe!” kakelt de oude goblin terwijl hij zijn drankje achterover slaat. “Nog een rondje Roo.. Ook voor mijn makker Jerry hier.” De oude knipoogt. Jerry slikt en kijkt over zijn schouders, zoekend naar verdachte personen. “Dus laat me het nog eens op een rijtje zetten neefje. Jullie werden meegenomen door een d’Deneith, eerst als vrienden en toen als gevangenen? Hij heeft jullie dagen in een vies kamertje opgesloten voor verraad, maar toen jullie hier in Wroat aan kwamen was alles koek en ei en waren jullie vrij om te gaan?” Jerry knikt en nipt van mijn drank. De oude goblin giechelt. “T’is een bijzonder verhaal, das zeker.. Maar je moet weten dat die figuren van dragonmarked huizen niet te vertrouwen zijn. Het gaat alleen om geld bij hen. Geen respect.” De oude kijkt afkeurend en slaat zijn arm om de schouders van zijn neefje. “Ik vind je nieuwe arm anders wel wat hebben. Heel..” De grijsaard zoekt naar woorden terwijl hij snel een slok neemt van de Karnathi whiskey. “Sterk.”

Ondertussen is het alles behalve rustig in de natgeregende, koude straten van Wroat. Uit de schaduwen stappen twee metalen wezens, eentje zo groot als een halfling, de andere zo groot als een paard. “Tijd om jullie een lesje te leren.” Roept de kleine en de grootste brult en stuift op jullie af.

De Veiligste Overtocht

“Heel wonderbaarlijk… Ik heb nog nooit zoiets gezien.” De gilde tovenaar fluistert zachtjes tegen zijn superieur. Samen beloeren ze de vreemde reizigers die ze hebben opgepakt in Glumtown. De groep had snel acceptatie gevonden bij de Marshers die zich de afgelopen weken bij het duo hadden gevoegd. Harnon krabt over zijn ongeschoren kin en kijkt nog eens naar zijn eigen handen. Hij balt zijn vuisten. Zijn knokkels worden bleek.

De goblin is een wonderbaarlijk wezen. Misschien zou hij waarde kunnen hebben voor zijn werkgever? Dan schudt hij het vreemde beeld van een goblin in gilde uniform uit zijn hoofd. Uitgesloten. De enige van de groep die kans zou maken om door de rekrutering heen te raken is de gemaskerde Sengis, maar hij heeft al eerder aangegeven geen interesse te hebben in een gevecht. De laatste paar dagen zijn meerdere kleine vechtpartijtjes rond de groep uitgebroken maar de man heeft zijn zwaard nog geen enkele keer getrokken. Harnon Kruf had tijdens de oorlog geleerd beter op te passen met soldaten die geweld schuwen. Vaak zijn ze onbetrouwbaar, op één manier of een andere.

De andere reizigers lijken capabel genoeg. De dwerg is stil en op zichzelf, maar zijn kruisboog is nooit buiten zijn bereik. De goblin Fillipe heeft een aantal van de grootste en gevaarlijkste nieuwe rekruten op hun plek gezet met zijn vreemde vecht stijl en schijnbare controle over elementen. En dan is er nog de vreemde, dromerige halfling… Een rare groep.

Commandant Kruf strekt zich uit. Zijn botten kraken. De jaren beginnen hem in te halen. Hij wordt bijna 50. Dan is het tijd om bureauwerk te gaan doen en weer bij zijn gezin te wonen in Wroat. Tot die tijd is hij in dienst van Deneith en hun beste rekruteerder aan deze kant van Khorvaire. De veteraan knikt naar de gilde tovenaar, die nog steeds gebiologeerd kijkt naar Jerry, en slaat zijn bruine bond cape om zich heen. Hij duwt zijn Marshal Honor Blade weer wat terug in de schede van zijn zwaard en verdwijnt in zijn tent. Tijd om te dromen over thuis.

Kapiteins Logboek

26 Oktober 1008 YK

Vandaag reizen we langs de Grijze Muur Bergen als plotseling de wind gaat liggen. Een storm zet op en een schimmig schip verschijnt aan de horizon. Het blijkt de restant te zijn van de Robijn van Breland. De bemanning is doodsbang en ik vergezel ze onder het dek terwijl onze passagiers op onderzoek uit gaan.

Als ze terug keren zijn de smerige goblin Filippe en Jack ernstig gewond. Ik richt me volledig op het verzorgen van mijn bodyguard en laat hem maar in mijn kamer rusten. De bemanning heeft een vreemde bewondering voor Filippe, die beweerd in zijn eentje het gevaar te hebben bedwongen. In het ruim wordt met rum op hem geproost. Ondertussen lijkt niemand aandacht te hebben voor de andere dappere helden, is dat gerechtigheid? Vast jaloezie op de krachtige, dappere, passionele persoonlijkheid van mijn Barbaar!

In een paar dagen bereiken we de eerste haven in Droaam, een grijze industriestad met de naam Vralkek. Alles verloopt volgens plan.

Meeuw

Intermezzo's

Wedergeboorte Simos