Wedergeboorte

Jacques Mitterand

Zacht waait zilte zeewind door de laagst liggende straten van Sharn. Het is een welkome afwisseling van geur voor de oude grijsaard. Zijn luidruchtige buren, een familie die met zijn twaalven in een tweekamer huisje woont, zorgen weer voor veel overlast. Niet alleen het constant kwetterende geluid van hun ruzies is onverdraagbaar, de vrouw Leanna – niet gezegend met een talent in ook maar iets dat te maken heeft met huishouden – heeft de neiging om wanneer ze kwaad is – tussen de vier en zes avonden in de week – haar familie het meest vreselijke eten voor te schotelen dat ze kan maken. Haar creatie van vanavond bevatte zeewier, twee weken geleden overleden sardientjes, een halve krop rotte groene kool, en – zonder twijfel – minstens 8 gepureerde makreel ogen. De ondragelijk stank verspreidt zich langzaam in de omliggende huizen, waaronder die van de buurman, de oude grijze Jacques Mitterand. Met zijn 45 jaar heeft de goblin een hoge leeftijd bereikt. Zuchtend neemt hij plaats in zijn schommelstoel bij het raam. Jacques voelt dat de tijd zijn tol opeist wanneer hij zijn benen strekt en aan twee kanten een knak hoort. “Mon dieu…” mompelt hij, terwijl zijn blik afdwaalt naar de heldere maan. Het wordt rustig op straat, en de stemmen van Jacques’ buren nemen af. Jacques’ ogen vallen langzaam dicht.

In zijn dromen is Jacques niet meer oud, maar herbeleeft hij lange zeereizen op ‘Le lapin rouge’, het schip waarop hij met zijn bemanningsleden verre plaatsen bezocht en gevaarlijke situaties meemaakte in hun zoektocht naar obscure artefacten en waardevolle diamanten. Het avonturieren was lucratief: de bemanning van de Rouge keerde na ieder avontuur terug naar Sharn met een beetje meer geld. Hun langste reis bracht ze van Sharn naar Stormreach, waarna ze een maandenlange boottocht maakten over de Barren Sea om uit te komen aan de noordzijde van het continent Sarlona. Herinneringen aan de loodzware overtocht over de White Sea bezorgt de voormalige onder kapitein nog steeds kippenvel.

Jacques wordt badend in het zweet wakker. Hij is in slaap gevallen in zijn schommelstoel, “alweer” denkt hij zuchtend, “of toch…?”. Na enkele seconden peinzen hoort hij zacht gesnurk komen uit de hoek van de kamer waar zijn bed staat. De zon schijnt fel in Jacques’ gezicht, waardoor het hem niet opvalt dat er een klein figuur onder een deken op zijn bed ligt te slapen. “Als jij maar niet één van die jongens van hiernaast bent!” buldert de oude zeeman terwijl hij zich met moeite ophijst uit zijn stoel. “Ik ben er klaar mee jullie te beschermen tegen jullie lastige moeder, als je ruzie maakt, los je het zelf maar op!” Hij staart naar het bed; een halve minuut gaat voorbij voordat hem de uit-de-kluiten-gewassen sterk behaarde arm die boven het deken uitsteekt opvalt. Jacques knijpt zichzelf in zijn arm. “De laatste keer dat ik zó’n aap zag moet op Xen’drik zijn geweest…” denkt hij, “of toch?”.

Als Jerry de stoffige deken van zich afslaat kijkt hij recht in de grijze ogen van zijn grootvader. Hij kijkt Jerry verbaasd aan. “Opa! Phoe, daar ben ik dan weer… Lekker geslapen? Oh nee, je hebt in je stoel geslapen… Hoe ligt dat eigenlijk? Deed je dat vroeger ook? Tjonge, ik heb honger, heb je wat te eten in huis?” Jerry haalt zijn neus op. De geur van zure haring vult zijn neusgaten. “Haring?” “Dat komt van de buren… het zijn vissers. Eten altijd vis, weet je wel,” mompelt Jacques verbouwereerd. Jacques blijft gebogen staan boven het bed met zijn kleinzoon er in. Ze kijken elkaar enkele momenten aan. “Heb je eten in huis?”
“Wat doe jij hier zo vroeg, ehh… Frankie?” “Ik ben Jerry, opa.”
“Ja ja… te veel namen om te onthouden”, mompelt Jacques.

Jerry springt uit bed, loopt richting de kast en haalt er een pot met het etiket “ontbijt” er op uit. Hij schroeft de deksel van de pot en pakt een handvol havermout, die hij in zijn mond steekt. “Ik zei gisteren dat ik vandaag weer langs zou komen om te vertellen wat ik heb meegemaakt tijdens mijn reizen,” zegt Jerry, terwijl stukjes havermout uit zijn mond vallen. Jacques kijkt hem verstrooid aan. “Ga maar weer zitten in je stoel. Wil je ook een beetje “ontbijt”?, gniffelt Jerry terwijl hij het symbool van aanhalingstekens met zijn handen maakt. Jacques staart verward naar de zwaar behaarde rechterhand van Jerry. “Hoe kom je dáár nou aan?” roept hij uit. “Gekregen in de schaduw moerassen,” antwoordt Jerry. “Ik zal je het verhaal vertellen…”

“Opa? Opa!”
Jacques opent zijn ogen. “Je viel gisteren ook al steeds in slaap…” zegt Jerry teleurgesteld. “Mijn verhalen zijn natuurlijk niet zo heldhaftig als die van jou. Ik wou dat ik op een schip kon varen zoals jij vroeger deed… Ik hoorde van pa dat je helemaal tot aan Sarlona hebt gevaren, is dat zo?” “Sarlona, ja…” verzucht de oude grijsaard. Hij begint te schommelen in zijn stoel. “Dat waren nog eens tijden. We hadden een tijd geen lange reis meer gemaakt, dus om geld te verdienen deden we af en toe een transportklus van Sharn naar Stormreach. Op één van die transporten werd bijna de hele bemanning ziek. Nadat we de lading hadden gelost lag iedereen voor apegapen in de tavern. Ik was de enige die niet ziek was, dus ik ging ’s middags in de buurt zoeken naar een apotheker die ons wat medicijnen kon geven. Geloof het of niet, maar ik heb de hele middag en avond door de buurt gelopen, en er was niémand die ons medicijnen wilde geven. Teleurgesteld liep ik ’s avonds een paar steegjes door, en ben ik naar binnen gestapt in de eerste tavern die ik zag. Het was een vreemde tent! Binnen was het bijna niet verlicht. Er stonden negen tafeltjes, die allemaal waren bezet door één persoon. Ze hadden allemaal een andere afkomst: er was een half-elf, een orc, een halfling, een dwarf, een sahagin, een human, een gnome, een changeling, en een warforged. Toen ik naar binnen liep keken ze me alle negen recht aan, alsof ze me hadden verwacht. Ik kon nergens een goblin waarnemen, dus ik ben aan de tafel met de sahagin gaan zitten. Ik probeerde met hem in het sahagin te praten over het weer, maar hij staarde recht voor zich uit, en reageerde op niets dat ik zei. Na een kwartier was ik het zat. Ik was van plan om weg te lopen, ik schoof mijn stoel naar achter toen hij ineens zijn mond open deed en vroeg: “wat zoek je hier?” “Mijn sleutels,” grapte ik, maar hij kon er niet om lachen. De sahagin wees naar de voordeur. “Niemand komt door deze deur zonder reden.” De sahagin keek me indringend aan. “Wie ben je?” “Ik ben hier enkel om een medicijn te zoeken voor mijn vrienden. Ik ben een bemanningslid van de Lapin Rouge, we vervoeren wijn van Sharn naar Stormreach.” De sahagin keek me enkele seconden aan. “Je ziet er niet uit als een goblin die zijn hele leven wijn vervoert”, zei hij. Toen begon ik hem te vertellen over mijn reizen op de Rouge, naar Aerenal en langs de kust van de eilanden bij Argonessen, toen we nog jong waren en zonder plan op zoek gingen naar waardevolle schatten. De sahagin leek zeer geamuseerd door mijn verhalen, hij bleef maar vragen stellen over de schatten die we hadden gevonden, en wat voor monsters we hadden bevochten om ze te krijgen. Voor ik het doorhad was het vier uur later. “Ik moet er vandoor,” zei ik. “Ken jij iemand die me medicijnen kan verkopen voor mijn vrienden?” “Ik heb iets beters,” zei de sahagin terwijl hij zich omdraaide en een kistje van achter zijn stoel tevoorschijn haalde. Hij zette het kistje voor mij neer. Ik deed de deksel open, en zag een rood vilten zakje en een klein amulet. “In het zakje vindt je een poeder, als je het aan je vrienden geeft worden ze beter,” zei de sahagin. “Het amulet is machtig en belangrijk. Ik geef het aan jou, omdat jij de eerste bent die door deze deur is gelopen en bij mij aan de tafel is gaan zitten. Als jouw tijd er op zit – je zal aanvoelen wanneer dat is – moet je dit amulet doorgeven aan iemand die je er mee vertrouwd. Dit amulet is het meest waardevolle dat je ooit zult bezitten.”

Jerry kijkt zijn opa met grote ogen aan. Jacques kijkt zwijgend uit het raam. Ineens kijkt Jacques verbaasd om zich heen, alsof hij zich niet meer kan herinneren waar hij is. “Opa?” “Wat is er, Harry?” “Jerry…” “Oh ja…”
“Hoe zag dat amulet er uit?” “Hmm… het was wit. Vierkant. Er stond een symbool op, het leek op een draak… Het glinsterde altijd als ik het vast hield, maar als iemand anders het vasthield, dan gebeurde er niets.” “Waar is het nu?” “Och jongen, al sla je me dood, ik zou je het niet kunnen zeggen… Waarschijnlijk op de bodem van de zee… We hebben een lange reis gemaakt naar Sarlona, en in de vreselijke tocht over de witte zee zijn we het amulet verloren. Daar kan ik je over vertellen, maar ik ben eigenlijk een beetje moe…” De zon brand sterk op het kleine huisje van Jacques. “Ik laat je wel even rusten opa,” zegt Jerry. Hij pakt zijn blauwe jasje van het bed af en loopt richting de deur. “Weet je wie het misschien weet?! Barre Knar! Gut, die zag ik van de week lopen, en hij begon ineens over dat amulet, zei dat ‘ie een kopie had gezien op één of andere markt ergens… Hartstikke duur, zei ‘ie. Één of andere rijk figuur ging er mee vandoor.” “Rust maar even uit,” zegt Jerry. Verbouwereerd verlaat hij het huisje van zijn opa. Als hij dit aan zijn vader zou vertellen, zou die lachen en zeggen dat Jacques echt seniel is geworden. Maar dit is het bizarste verhaal dat ik ooit gehoord hebt, denkt Jerry.

Comments

Meeks

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.